/* CSS Document */

Historie

750 jaar ijs in Amersfoort

In 2009, toen Amersfoort haar 750e verjaardag vierde, heeft de AIJV het boek “750 jaar ijs in Amersfoort” uitgegeven.
– Waar kon 750 jaar geleden in Amersfoort worden geschaatst?
– Hoe veranderde de waterhuishouding in de loop der eeuwen?
– Welke 15 ijsbanen hebben er ooit in Amersfoort bestaan?

Wie een antwoord wil op deze vragen, kan het rijk-geïllustreerde boek van de auteur Hein Visser kopen (voor € 10.-) in Museum Flehite en op dinsdagavonden in het AIJV-clubgebouw.

Hierna volgt een samenvatting van het hoofdstuk “de historie van de AIJV”

AIJV sinds het jaar 1919

De Amersfoortse IJs Vereniging werd op 1 december van dat jaar gesticht, op initiatief van Lucas Pesie; destijds directeur van het roemruchte Pesie-openlucht-zwembad aan de Ansfridusstraat. De volgende dag stond er een advertentie van het bestuur in de krant om leden te werven, naast de zeventig die zich al op die eerste december aanmeldden. Per gezin moesten ze vijf gulden per jaar betalen. Alleen de rijkere helft van de bevolking kon een dergelijk hoge contributie betalen; de doorsnee bouwvakarbeider moest destijds maar liefst tien uur werken voor dit bedrag. Anno 2011 verdient hij in diezelfde tien uur ongeveer € 300.- En anno 2011 betalen de 2400 gezinnen die bij de AIJV zijn aangesloten, nog slechts een bedragje dat minder dan ’n kwartier vergt; € 7.- om precies te zijn. Dus veertig keer zo weinig.

In negentig jaar heeft de AIJV zich dus ontwikkeld van een elitaire club tot een vereniging die ijspret biedt aan iedereen.
Naast de contributies had de vereniging nog meer geld nodig – er werden obligaties uitgegeven met 5% rente – om het ijsbaanterrein te kunnen huren van het Pieters- en Bloklands-Gasthuis (voor fl. 200.- per winter), om dijkjes aan te leggen en een waterpomp te kopen.

Op deze oude luchtfoto is de ligging van ons oorspronkelijke terrein ingetekend; gemiddeld 80 meter breed en bijna 400 meter lang. Het begon aan de Bisschopsweg, die hier van links loopt naar rechts; daar zijn Randenbroekerbos en Heiligenbergerbeek nog herkenbaar. De ingang lag tegenover de Willem van Mechelenstraat, op de plek waar nu het Sportfondsenbad staat.

De foto is uit het jaar 1932 toen de Rubensstraat (de rode streep) nog moest worden aangelegd. In dat jaar had het Gasthuis ons terrein al verkocht aan het gemeentebestuur. Dat verhoogde onze huur tot duizend gulden per jaar en liet bovendien anderhalve meter wit zand op onze “krabbelbaan” storten om er de nieuwe buurt op te kunnen bouwen. In dat witte zand is de hedendaagse Rembrandtschool herkenbaar die toen al was gebouwd tegenover de Hendrik van Viandenstraat.

Tot 1932 kon de AIJV door geldgebrek nog slechts oude hospitaaltenten van het leger kopen om onze verkleumde/moegeschaatste gasten in te ontvangen, als zij binnen hun hete chocomel wilden drinken. En we beleefden enkele winters met stormen, waarin die tenten aan flarden woeien.

We moesten het destijds dus nog zonder een vast clubhuis met dito “koek & zopie” stellen. Maar in 1933 had de vereniging eindelijk geld genoeg gespaard om voor fl. 1685.- een houten gebouwtje met rieten dak te laten bouwen waarin de schaatsers even konden pauzeren om weer op temperatuur te komen. Dat was een luxe die de vereniging zich eerder niet kon veroorloven, want na elke strenge winter dreigde de AIJV weer failliet te gaan doordat de kosten van alle baanvegers hoger waren dan de inkomsten.

De povere economie van de AIJV was het gevolg van het elitaire karakter met hoge contributies die maar weinigen konden betalen. Maar het oude bestuur dat altijd sterk hechtte aan dit beleid, kreeg in 1931 zóveel oppositie dat het begin 1932 het veld ruimde.

Het nieuwe bestuur verlaagde de contributies en het gevolg was dat zich plotseling heel veel Amersfoorters aanmeldden die zóveel extra in het laadje brachten, dat de vereniging eindelijk dat clubhuisje kon laten bouwen. Maar niet bij de oude entree van de baan aan de Bisschopsweg. De gemeente wilde daar een parkje aanleggen – voorzag misschien toen al dat daar later een zwembad zou komen – en eiste dat het clubhuis naast de nieuwe Rubensstraat zou komen.

Bovendien verkleinde zij ons terrein; anno 2011 hebben we nog 21.000 vierkante meter ijs over van de 30.000 waarmee we ooit begonnen.

Ons clubhuis in een van de oorlogswinters (dus met geblindeerde ramen) stond pal naast de Rubensstraat; uiterst links op deze foto uit de collectie van Ton Blom.

Ons rietgedekte, romantische clubhuis doorstond de Wereldoorlog betrekkelijk goed en heeft bijna veertig jaar dienst gedaan. Maar in 1976 is het grotendeels afgebrand. Gelukkig liet de gemeente op dat moment al een nieuw “home” voor ons bouwen, op de plek waar de AIJV nu nog steeds is gehuisvest. Maar dit nieuwe huis omvatte toen nog slechts ‘n kantoortje met de loketten plus een werkplaats voor de ijsmeester. Pas in 1994 kon de vereniging het – met eigen geld – laten uitbreiden met publieke toiletten en ‘n verwarmde zaal voor de “koek & zopie”.

Hoe vaak werd er na 1919 op ons ijs geschaatst? Gemiddeld negen dagen per jaar, maar van elke drie winters viel er wel één te zacht uit om de baan te kunnen openen. Uit onze archieven blijkt dat er drie super-winters waren waarin we langer dan veertig dagen achtereen konden schaatsen; in de winters van 1939/1940, 1945/1946 en 1962/1963.

Tot de Wereldoorlog was onze baan al 188 dagen open geweest. En ook in de oorlog werd er nog vaak geschaatst, behalve in de laatste oorlogswinter. Toen was er geen brandstof meer voor de pomp. Vooral op avonden met veel maanlicht werd er geschaatst. Kunstlicht was door de Duitsers verboden. Daarbij behoefden we nooit die gehate bordjes “verboden voor Joden” op te hangen. Want die waren al lang ondergedoken of uit de stad vertrokken voordat Amersfoort een NSB-burgemeester kreeg. En onze KNSB (die toen natuurlijk niet “koninklijk” mocht heten) heeft Joden-discriminatie altijd gesaboteerd.

Sinds 1919 is het karakter van de AIJV enkele keren veranderd. Vanaf 1950 groeide binnen de vereniging een aparte club van wedstrijdschaatsers, die wekelijks trainden, kunstijsbanen bezochten, etc. En die daarvoor natuurlijk veel méér contributie betaalden dan de gezinnen met hun jaarkaarten (die ook wel “tientjesleden” werden genoemd.

Die “hardrijders” hadden dus een sterkere binding met de vereniging. Daarentegen is de relatie met de leden-kaarthouders altijd “tamelijk los” gebleven; hun aantallen daalden soms fors in ijsloze jaren, waarna ze plotseling weer stegen tot boven de tweeduizend – we waren dan “de grootste vereniging van Nederland” – zodra de baan weer open ging. Ze bezochten ook nooit de jaarlijkse vergaderingen waarin begrotingen moesten worden gemaakt, statuten worden goedgekeurd, etc.

Toch bleef de AIJV hen lange tijd beschouwen en aanspreken als “leden”. We betaalden ook heel lang ’n jaarlijkse “bijdrage-per-lid” aan de bond waarbij onze vereniging is aangesloten. Maar de KNSB verhoogde deze “verplichte afdracht” stapsgewijs tot een bedrag dat we graag betaalden voor onze vaste kern van hardrijders (die geleidelijk groeide tot enkele honderden zogenaamde “actieve leden”) maar dat veel te hoog was om het oude systeem van goedkope gezins-lidmaatschappen vol te houden. Daarom hebben we die gezinnen in het jaar 2002 de status gegeven van “donateurs-kaarthouders” zodat ons ledental drastisch kleiner werd. Anno 2011 hebben we 2400 kaarthouders en dat is voorlopig het maximum dat we met onze huidige baan kunnen ontvangen.

Op de AIJV-vergaderingen hebben nu alleen de individuele leden (anno 2011 al meer dan vierhonderd) nog recht van spreken en stemmen over ons beleid. Maar veel belangrijker dan deze administratieve verandering is natuurlijk de ijspret die de vereniging zo vaak kon bieden aan duizenden Amersfoorters; de AIJV is en blijft een gastvrije club.
Sinds 1970 stak de vereniging ook steeds meer energie in grote groepen kinderen van de basisscholen; wekelijks krijgen zij lessen op de kunstijsbaan in Utrecht. Deze schaatsjeugd heeft de toekomst!

Vanaf het jaar 2000 heeft zich nog een andere verandering binnen onze vereniging voltrokken. De groep van individuele schaatsleden (wedstrijdrijders en fanatieke toertocht-rijders) kreeg gezelschap van honderd mensen die nauwelijks schaatsen maar die op inline-skates rijden. Dankzij hen kregen we iets wat we “verenigingsavonden” zouden kunnen noemen; elke dinsdag, het hele jaar dóór, komen zij in ons clubhuis om samen hun toertochten te rijden of – als de straten nat zijn – te trainen in de naastgelegen sportzaal.
En hun betrokkenheid bij de AIJV is zó groot dat zij massaal komen helpen zodra de ijsbaan weer open gaat en we tientallen vrijwilligers nodig hebben om de zaak in goede banen te leiden.

Terugkijkend op de “historie van de AIJV” kunnen we rustig stellen dat de vereniging bruist en vitaal is als nooit tevoren. Alléén in Amersfoort – en nergens anders in ‘t land – vind je zo’n grote ijsbaan pal náást een historische binnenstad.

Comments are closed.